Nieuwe ogen #97
De stille deal.

Het uitspreken van mijn verlangens, vooral in gezelschap van anderen, is voor mij nogal een uitdaging. Sterker nog, ik had tot voor kort niet eens echt door wat verlangens waren. Iets willen zonder per se een geldige reden te hebben en dat communiceren. Iets willen, waar misschien tegenwind van anderen zou kunnen komen. Dat vooral. En in al die jaren heel veel strategieën uitvinden om ervanonder te muizen.
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Natuurlijk poneerde ik ook wel eens iets wat ik graag zou willen. Wanneer er zich een opportuniteit voordeed bijvoorbeeld. Met veel schaamte en ongemakkelijke gevoelens. En er is ook de strategie van de hoop. Dat mensen wel zullen zien wat ik eigenlijk echt wil. Of niet wil als ik weer ergens verzeild ben geraakt waar ik eigenlijk niet wil zijn.
Zeggen dat ik dat ik nooit iets doe waar ik naar verlang is ook niet helemaal waar. Ik doe dat gretig wanneer ik alleen was. Wanneer er niemand anders aanwezig is waar ik mij aan moet passen. Dus niet moet geven om te krijgen. Krijgen in de vorm van erbij mogen horen.
Nu leer ik geven. Zonder verwachting om te krijgen. Dat blijkt een uitdaging te zijn.
Zo ook als het over mijn mening geven is. Niet dat ik die nooit geef. Zeker wanneer ik bepaalde vaardigheden of ervaring heb. Maar wanneer ik een fout maak, komt het geloof dat ik er toch niet bij hoor zeer snel op voorgrond.
Ik leer nu ook mij niet meer te bewijzen. Ik hoef ook niet meer perfect te zijn, te pleasen en te doen alsof om de beloning ‘erbij horen’ te krijgen. Dat scheelt een hoop stress kan ik zeggen. En toch zit er een ongelofelijke kracht in mij om het omgekeerde te doen, om in plaats van mij alleen maar te conformeren, te durven anders te zijn. Opstandig! Met een soort koppigheid. Toch mijn bestaan kenbaar maken. Met alle emotionele manipulaties die ik ter beschikking heb.
Ik heb dus een stille deal met mezelf gesloten, lang geleden. Aanpassen in ruil om erbij horen. Ik zag het niet eens als een keuze.
Had ik toen maar de vraag gesteld, ah ik was maar een kind: In hoeverre voel ik me thuis in mezelf als ik me probeer thuis te voelen bij anderen?
Mijn lichaam heeft me talloze keren, in de vorm van symptomen, proberen waarschuwen. Tot ik eindelijk echt eens moest stoppen. Niet om adem te halen om er opnieuw in te kunnen springen, maar om te onderzoeken. En per toeval (?) boeken te lezen. Over levenskunst. Alwaar ik talrijke - voor mij nieuwe - ideeën las. En over volwassen worden. Ik was de veertig al een stuk gepasseerd. Ik vond het tijd om die stap te nemen.
Ik geloof echt dat ik er niet bij hoor. Maar als volwassen mens mag ik dat niet denken. Dat hoort niet. Dat is een kinderachtige overtuiging.
Zie hier twee botsende gedachten. Een overtuiging en het niet aanvaarden van deze overtuiging.
Dit is mijn oorlog. En die start in mijn hoofd. En veel van hoe ik handel en reageer in mijn dagelijkse leven is een gevolg van deze oorlog.
Vrede vond ik met het aanvaarden van deze overtuiging: ik hoor er niet bij. In plaats van dat weg te redeneren zei ik ‘ja’ tegen deze gedachte. Accepteren dat die er is, dat ik daardoor van jongs af aan een overlevingsmechanisme heb gecreëerd die mij ook geholpen heeft op een of andere manier. Maar nu ben ik volwassen. Ik besef dat ik niet meer afhankelijk ben van de goedkeuring van anderen.
Aanvaarden van deze gedachte, dat ik er niet meer bij hoor, is niet gelijk aan ermee instemmen of opgeven. Integendeel. Het is deze overtuiging omarmen, mij eraan overgeven, zodat ik er vrede mee kan nemen. Ook al begrijp ik niet dat dit patroon nog speelt in mijn leven, maar door het aanvaarden komt er ruimte vrij. Een enorme ruimte waar er mogelijkheden ontstaan in plaats van beperkingen. Ruimte die ik vroeger reserveerde aan het bestrijden van deze gedachten.
Het is merkwaardig. Hoe nu plots volwassen ideeën mogen groeien. Nu ik aanvaard dat er een klein jongetje in mij woont die er mag zijn. Met al zijn kinderlijke gedachten. En die ik mag meenemen om de weide wereld in te trekken. Dat ik die mag opvoeden. Dat ik ernaar luister. Ook al zijn dat verhalen die niet waar (meer) zijn. Want ik weet: ik hoor er bij, want ik besta.
Dat wil niet zeggen dat de oude gewoonten zomaar verdwenen zijn. Die zijn er nog. De neiging om te willen krijgen, om gezelschap te gebruiken als bewijs dat ik erbij hoor. Ik merk het alleen op nu. En dat opmerken is al iets anders dan vroeger, toen ik het niet eens zag.
Ik stap nu zelf op mensen af, gewoon omdat ik het fijn vind. Dat klinkt eenvoudig. Het is een uitdaging. Het is een hele verschuiving.
Als iemand niet kan afspreken, neem ik het minder persoonlijk. Soms toch nog wel. En dan aanvaard ik ook dat. Dat het jongetje nog even dacht: zie je wel. Dat mag. Het hoeft niet weg. Maar het bepaalt niet meer wat ik doe.
In die ruimte - de ruimte die ontstond door te stoppen met de oorlog - begint iets te groeien. Geen plan. Geen strategie. Eerder een verlangen. Gewoon in gezelschap willen zijn. Niet om iets te bewijzen. Niet om iets te verdienen. Maar omdat het goed voelt.
Dat is behoorlijk nieuw voor mij.
Ik ben Peter. Life en career coach voor wie vastloopt in patronen die ooit slim waren. Een eerste gesprek is vrijblijvend.
Over dit onderwerp maakte ik ook een oefening:

